Publication Laka-library:
Electriciteitsplan 1997-2006 (1996)
| Author | SEP |
| Date | March 1996 |
| Classification | 1.01.7.10/58 (ELECTRICITY - PRICE / CAPACITY / CONSUMPTION) |
| Front |
|
From the publication:
Inleiding Het voorgaande elektriciteitsplan stond bovenal in het teken van de sterke toename van het warmte/kracht-vermogen en de beheersbaarheid van de vermogensplanning. De elektriciteits-productiebedrijven ontwikkelden warmte/kracht-projecten in het kader van het warmteplan. In het kader van de MAP-activiteiten richten de distributiebedrijven hun inspanningen eveneens op het realiseren van warmte/ kracht-vermogen. Ook bij de industrie kwam vernieuwing en uitbreiding van het warmte/kracht-vermogen weer in beeld ondermeer om daarmee uitvoering te geven aan de Meerjaren Afspraken over energiebesparing met de Rijksoverheid. Voorts waren de subsidiëring van warmte/kracht-vermogen door de overheid en de gunstige terugleververgoedingen een belangrijke stimulans om nieuw warmte/kracht- vermogen te bouwen. Na een groot aantal jaren waarin het decentrale warmte/ kracht-vermogen slechts weinig toenam, manifesteerde zich bij het opstellen van het voorgaande elektriciteitsplan een sterke toename van op korte termijn te realiseren decentrale warmte/kracht-installaties. In zijn totaliteit betrof dit - d.w.z. datgene wat bij het opstellen van het voorgaande elektriciteitsplan bekend was - binnen korte tijd reeds een zodanig grote hoeveelheid extra decentraal vermogen dat het niet meer mogelijk was de planning van het centrale vermogen hierop nog aan te passen. Een complicerende factor hierbij was dat het op korte termijn te realiseren centrale productievermogen ook hoofdzakelijk uitwarmte/kracht-projecten bestond, waarbij warmtelevering aan derden aan de orde is. Door te besluiten om alle daartoe voor het jaar 2000 in aanmerking komende eenheden vervroegd buiten bedrijf te stellen werd het dreigende vermogensoverschot verminderd. Daarmee werd echter het probleem niet volledig opgelost. De kostenbesparing door vervroegde buitenbedrijfstelling van vermogen dat overtollig wordt, is immers maar beperkt. Zowel door de productiebedrijven als door de distributiebedrijven werd onderkend dat deze ontwikkeling ongewenste consequenties zou hebben voor de gehele elektriciteitsvoorziening en met name voor de kosten daarvan. Daarom is sinds het vorige elektriciteitsplan met de elektriciteits-distributiebedrijven gezocht naar een oplossing voor bovengenoemde problematiek. Hiertoe werd tussen Sep en EnergieNed mede namens de productie- en distributiebedrijven een periode van bezinning overeengekomen. Deze bezinning resulteerde in grote lijnen in het volgende: • het tijdens de duur van de bezinningsperiode niet meer aangaan van nieuwe verplichtingen jegens derden (vanaf 1 februari 1994); • een inventarisatie van alle projecten (warmte/kracht-projecten voor zover 2 MW) waarvoor op 1 februari 1994 enige verplichting bestond en een onafhankelijk onderzoek naar de wenselijkheid om deze projecten ongewijzigd uit te voeren en de mogelijkheden om de projecten in omvang te reduceren en/of later te realiseren; de plannen voor duurzame energiebronnen en warmte/kracht-projecten kleiner dan 2 MW werden bij voorbaat geaccepteerd; • het maken van afspraken die betere beslissingen over investeringen in het centrale en het decentrale vermogen zeker stellen.
This publication is only available at Laka on paper, not as pdf.
You can borrow the publication or request a copy. When we're available, this is possible for a small fee.